De hele week voorafgaand aan de reis voel ik me emotioneel en niet fit. De Polenreis met het Nederlands Auschwitz Comité, die ik al zo lang wilde maken, komt nu echt dichtbij. Mijn zoon en ik zoeken elkaar meer op dan anders: een knuffel, een arm om elkaar heen. In onze familiegeschiedenis is het niet vanzelfsprekend dat wanneer je op reis gaat, je ook terugkomt.
Zondagavond vertrekken mijn vriend en ik naar Schiphol en de volgende ochtend melden we ons vroeg bij het Auschwitz Comité. We lopen door de douane en zien bij de gate al enkele medereizigers die we twee weken eerder ontmoetten in het Holocaust Museum. We kijken elkaar wat onwennig aan. Kennen elkaar nauwelijks en weten nog niet goed wat ons te wachten staat.
In Warschau wachten we langer dan normaal op onze koffers. Later zal de voorzitter van het Comité zeggen: ‘Dit hebben we in 18 jaar nog nooit meegemaakt.’ Een zin die deze week vaker terug zal komen. Door het oponthoud wordt het programma aangepast; de wandeling door het ghetto gaat niet door. We bezoeken wel de Nederlandse ambassade. Daar, bij een hapje en een drankje, leren we elkaar beter kennen. De meest gestelde vraag is steeds dezelfde: vanwaar maak jij deze reist? Velen zijn hier vanwege hun werk of uit belangstelling. Een kleiner aantal, waaronder ik, vanwege onze familiegeschiedenis.
De volgende ochtend vertrekken we vroeg richting Krakau. Het is min veertien graden. Tijdens de eerste koffiestop blijkt onze bus kapot. We brengen uren door met praten en kaarten, terwijl de kou zich langzaam in mijn lijf nestelt. De onzekerheid of we Auschwitz vandaag nog zullen bereiken, raakt me meer dan ik had verwacht. Ik denk aan Sobibor, waar ik ooit met mijn moeder stond voor een gesloten museum. Zou het nu weer zo zijn?
We halen Auschwitz uiteindelijk gelukkig net op tijd en dankzij het Comité kunnen we toch met gidsen het kamp in. Ik merk dat het niet meteen binnenkomt. Gelaten luister ik naar de uitleg van onze gids. Onder het bord ‘Arbeit macht frei’ probeer ik me voor te stellen hoe hier destijds muziek klonk, alsof normaliteit kon worden gespeeld.
De volgende dag keren we terug en vertelt rabbijn Menno ten Brink ons meer over het kamp. We gaan met de groep een gaskamer in. Mijn lijf verzet zich. Met gebalde handen en ingehouden adem loop ik door. Ik zie de nagelkrassen in de muren. Hoe moet dit geweest zijn? Ik kan het me niet voorstellen, gelukkig maar…
Ik denk aan Roza Frenk, de tante van mijn moeder. Zij kwam hier in 1944 aan, na drie dagen in een veewagon zonder eten of drinken. Eichmann stond toen op het perron. Tijdens de selectie drukte iemand haar een baby in de armen. Ze weigerde en dat werd haar redding. Ze overleefde Auschwitz en is zesennegentig jaar geworden.
De kou kruipt langs mijn enkels omhoog. Hoe was het om hier elke ochtend urenlang op appel te staan? Met een stukje brood per dag, daarna aan het werk. In stilte lopen we terug naar de bus. De emotie die ik gisteren niet voelde, voel ik nu wel.
Na de lunch bezoeken we Auschwitz-Birkenau. Bij het Nederlandse monument leggen we een krans. We noemen namen. Ook ik lees, met trillende stem, de namen van mijn familieleden die hier zijn vermoord. Birkenau is overweldigend groot. In de bus duurt het lang voor ik ook van binnen weer warm ben.
De dagen daarna reizen we verder, naar Lublin en Majdanek. Een kamp dat uitzonderlijk dicht bij de stad ligt, en een van de best bewaarde. Door sneeuw en kou lopen we langs gaskamers en verbrandingsovens. De zwarte kraaien steken scherp af tegen de sneeuw.
’s Middags komen we aan in Sobibor. Door de sneeuw is de Rampe onbereikbaar en lopen we direct door naar de asheuvel. Ook hier is het stil. Geen vogel te zien of te horen. We herdenken, leggen een krans, steken kaarsen aan en noemen namen. Ik spreek daar de volgende woorden:
“Tweeënhalf jaar geleden stond ik hier met mijn moeder, Tina Frankenhuis. Vandaag sta ik hier met jullie. Om de namen te noemen van mijn overgrootoma Geertje Frenk Nieweg (45) en haar zoon Nathan (14). Mijn opa Abraham Herman Frankenhuis (31) en mijn oma Mathilda Rosette Frankenhuis-Frenk (21), naar wie ik ben vernoemd. Zij hebben geen graf gekregen. Mijn boek ‘Wat is haar naam?’ is ook een monument voor haar. Ik ben dankbaar dat ik deze reis heb kunnen maken, het heeft mij verrijkt.
Laten we blijven vertellen wat hier is gebeurd. Niet om het te begrijpen, maar om het te kunnen verstaan, zoals een van jullie zo mooi tegen mij uitsprak toen we terugliepen uit Birkenhau.
Opdat we niet vergeten.“
Mijn vriend en ik blijven nog even staan. In zijn armen laat ik de tranen komen. Alles wat zich heeft opgestapeld, mag eruit. Het voelt als een vorm van heling. In de bus gaat later een fles cognac rond. Om ook van binnen weer warm te worden, én om het leven te vieren. Want na zo veel dood, zo veel ellende, moeten we ook weer terug naar het leven.
De laatste dag brengen we door in het POLIN-museum en tijdens een heerlijke lunch sluiten we deze bijzondere reis met elkaar af. Op naar het vliegveld met in onze rugzak indrukwekkende herinneringen.
Op het leven, nog vele jaren


